Hij Doet Niets, Hoor


Beste hondenbezitter,

Dringend verzoek namens alle ouders van kleine kinderen–en sowieso namens iedereen die minder gecharmeerd is van je trouwe viervoeter dan jijzelf:

Wil je in het vervolg minder energie steken in het uitslaan van onzin over je canine compaan, en meer in het onder controle houden van het beest?

Je bent je er misschien niet van bewust, maar jij–en je mede-hondenbezitters–zijn de producenten van een van de meest hemeltergend irritante, betekenisloze en contraproductieve cliché’s uit de Nederlandse taal:

“Hij doet niets, hoor!”

Bij voorkeur sla je deze kreet uit nadat je huiskalf op mijn jongste is afgestormd om deze eens lekker in het gezicht te blaffen.

Noem het maar niets.

Nu weet ik heus wel dat je bedoelt dat hij ondanks zijn up-close-and-personal geblaf niet op het punt staat om mijn kind met zijn scherpe tanden voor het leven te verminken. En eerlijk gezegd geloof ik dat in negen van de tien gevallen zelfs.

Dan nog is het niet niets.

Mijn oudste kind is op dit moment één-meter-dertig, zijn jongere broertje één-meter-tien. Pak eens een meetlint en houd dat voor de grap langs de schoft (sic!) van je beestje.

Zie je mijn punt?

Voor mijn jongens is de aggressieve verschijning van jouw aanstormende hond alsof er op jouzelf een harig, gruwelijk grommend monster met scherpe tanden zou afstormen ter grootte van een paard. Dat is niet niets, beste hondenbezitter: dat is vruchtbaar bronmateriaal voor nachtmerries en trauma’s.

Of om het te formuleren in taal die jij al hondenkenner verstaat: jij weet zo zeker dat hij niets doet, omdat dat aangestorm en geblaf allemaal alleen maar intimidatiegedrag is, toch? Wel, op mijn kind–en op verder iedereen die een minder grote liefde voor honden koestert–is die intimidatie uiterst effectief.

Mocht je willen tegenwerpen dat mijn kind daarvan kan leren dat hij niet bang hoeft te zijn (of godbetert dat blaffende honden niet bijten), dan wil ik je aanmoedigen om vooral je eigen kinderen op die manier met shocktherapie te trainen. Hoe wij onze kinderen opvoeden lijkt mij onze zaak; als we ze willen leren hun angsten te overwinnen, zetten we ze wel in een achtbaan.

En zelfs als je blaffer niet op kalfgrootte is afgeleverd, maar zo’n absurd schootmaatje heeft; zelfs als zijn aanstormen meer lijkt op een ongecontroleerde, spastische explosie van stuntelige harige ledematen; zelfs als het begeleidende stemgeluid eerder lachwekkend dan intimiderend is; dan heeft je metgezel nog steeds hele scherpe tanden.

Dan heeft hij diep van binnen nog steeds karaktertrekken gemeen met een wolf.

Want het andere cliché dat hondeneigenaren veel te frequent uitslaan, de andere kant van de medaille van “hij doet niets hoor”, het cliché dat in tegenstelling tot de sussende toon van het eerste veelal wordt uitgesproken met een combinatie van afgrijzen, verwondering en ja, toch een beetje vertedering, is natuurlijk:

“Dat doet’ie anders nooit…”

En zelfs dat wil ik wel geloven. Maar als de eerste keer dat jouw hond iets nieuws doet, het afbijten van de neus van mijn nageslacht is, kan je denk ik wel raden hoeveel begrip ik in die situatie kan opbrengen voor de onverwachte aard van het vertoonde gedrag.

Met andere woorden: wij willen niet horen dat hij niets doet, want dat doet hij op het moment dat je dat zegt allang. Wij willen zeker niet horen dat hij dat anders nooit doet.

Wij willen maar één ding: dat je je roofdier onder controle houdt in de buurt van onze kinderen–en eigenlijk ook in de buurt van onszelf.

En als dat niet lukt, en je flapt er alsnog dat hemeltergende cliché uit, weet dan dat onze reactie minder luchtig en begripvol zal zijn dan je misschien prettig vindt.

Gegroet.